Brieven

bootvertrek

Voorwoord

Mijn vader. Wie was mijn vader?
Toen ik vier jaar was, ging hij als emigratie-ambtenaar aan boord van M.S. “Johan van Oldenbarnevelt”, om een bijna vier maanden durende reis te maken naar Australië.
Dat was in 1954. Hijzelf was toen 36 jaar oud. In dit verhaal zijn alle brieven opgenomen die hij schreef aan mijn moeder. Al lezende heb je het idee dat hij ze niet bijna 50 jaar geleden, maar vandaag geschreven zou kunnen hebben.

voorjaar 2001
Paul Weusten

_________________________________________________________________________

05 januari 1954
Aan boord van M.S.”Johan van Oldenbarnevelt”

barnevelt

passagebiljet

Het is thans drie uur in de middag en zit alleen in onze tweepersoons hut (Foppele, mijn collega, is de andere passagier). Om goed 9.30u vanmorgen was ik reeds in Amsterdam en heb me met een taxi naar de haven laten brengen. In de grote douaneloods was het reeds een drukte van jewelste. We hebben zo wat een 20-tal tafeltjes moeten passeren (pas laten zien, idem passagebiljet, stempeltje hier, stempeltje daar enz.). De koffer heb ik nog niet hoeven open te maken, zo gemakkelijk was het bij de douane. We hebben nog wat gesproken met enige heren van de Nederlandse Emigratie Dienst en met de heer Takx van ons hoofdkantoor te Den Haag en zijn toen aan boord gaan lunchen (soep met plakken worst, varkenslap, spinazie, puree en een Jonathan). Om half vier een bespreking met de boord-aalmoezenier en om half vijf gaat het sein voor vertrek. Aan de reling is het koud en winderig. Het is voor velen toch een aangrijpend moment, ondanks de koude (eentje maakte de opmerking dat het te koud was om sentimenteel te worden, terwijl een ander zei dat je hoogstens kon huilen van de kou).De bevolking van de boot is zeer gevarieerd, veel kinderen. We zitten thans (Foppele en ik) in de voor-rooksalon beiden te schrijven. De avond valt reeds in en nu varen we langzaam naar IJmuiden, waar deze brief van boord gaat. Om zes uur is diner; dat zal ik me goed laten smaken want ik voel nog geen sikkepit van zeeziekte (gelukkig maar!). Ik denk dat ik maar vroeg in mijn bed kruip, daar we van de zee in het donker toch niets kunnen zien. Vóór Port Saïd kunnen wij niet meer schrijven; maar ik hoop wel, daar een lange brief van je te mogen ontvangen.
Ik mis jou en de kinderen natuurlijk heel erg, maar ik zal me er wel doorslaan. Ik hoop dat jij dat ook zult doen. Veel liefs voor jou en de kinderen; slaap goed en hou je haaks!

_________________________________________________________________________

09 januari 1954
Aan boord van M.S.”Johan van Oldenbarnevelt”

Ik zit hier in de schrijfsalon aan een apart schrijfbureautje. Vlak hier tegenover in de rooksalon, is vanavond voor de eerste maal dansen (natuurlijk stampvol). Gelukkig zit ik hier rustig, met vlak in mijn buurt drie families uit Venlo en omgeving, een prima stel plezierige mensen, die me na de kennismaking, reeds dadelijk met mijn voornaam noemen.
En waarmee zal ik nu toch maar beginnen. Je wordt en bent reeds overstelpt met velerlei indrukken en gebeurtenissen, dat het me soms duizelt. Het is inderdaad een unieke gebeurtenis, deze reis. En ofschoon ik jullie natuurlijk heel erg mis, heb ik toch geen spijt dat ik jullie drie maanden alleen heb moeten laten, daar ik zeer zeker rijker aan levenservaring zal terugkomen, hetgeen mijn leven en werk ten goede zal komen.
Om niet volkomen van de hak op de tak te vallen, neem ik thans enige korte notities over uit mijn dagboek, zodat je kunt zien, wat hier zoal gebeurd is. De eerste nacht, ondanks alle emoties, prima geslapen. Om zeven uur reveille, acht uur ontbijt, daarna wat gewandeld en gepraat, kennis met verschillende emigranten gemaakt, om twaalf uur lunch, daarna “zitten te zitten” in de zon. Er komen reeds verschillende witte gezichten voor en er is veel “gehang” aan de reling. Tegen de avond wordt de zee onrustiger. Om kwart over zes diner. Daarna wat gezeten, gehangen, gewandeld en gepraat. De stemming onder de emigranten is prima (voor zover nog niet zeeziek). Om half elf naar bed. Dit is in het kort het verloop van 6 januari.
Dinsdag 12 januari. We zijn thans een week op zee en alles gaat met mij nog prima. Nog geen enkele dag zeeziek geweest. Ik heb het gevoel of ik al dikker ben aan het worden. De kost is prima, prima. Er zijn echter reeds zeer velen zeeziek geweest. Kees Foppele heeft het twee dagen te pakken gehad, terwijl de aalmoezenier tot nu toe geregeld van de kaart is. Hij heeft zodoende pas enkele malen de H.Mis kunnen lezen. Op 7 januari werden 600 (spuug)zakjes uitgereikt en op 8 januari weer 1000 nieuwe. De aalmoezenier is een fijne kerel, waar we goed mee kunnen opschieten. Met de dominee heb ik reeds enkele malen een onderhoud gehad. Het is een prettige, geestige man, die zelf met vrouw en vier kinderen emigreert naar Australië. Aalmoezenier en dominee zitten elkaar geregeld op een buitengewoon plezierige wijze in de haren. In de eetzaal zitten ze ook samen aan één tafel.
Wij zijn ook al een keer uitgenodigd bij de kapitein, in zijn hut. Het is een prima kerel, eenvoudig en rondborstig, doch tevens fijn en stijlvol. Er werden borrels en sigaretten aangeboden bij dit zeer hartelijk onderhoud. Hij blijkt de laatste oorlogsjaren in Geleen te hebben gewoond, waar hij werkzaam was als inspecteur van de Distributiedienst.
Kees Foppele is een echt hartelijke jongen; geestig, ad rem, goed imitator en je lacht je soms een ongeluk. Ik heb het buitengewoon goed getroffen met deze collega en hutgenoot. 11 Januari werd hij 39 jaar. Deze dag hebben wij, met een klein gezelschap, een beetje gevierd. Wijn bij het diner en ’s avonds enkele borrels.
Momenteel zijn we iedere dag bezig met spreekuur te houden. Er is steeds druk bezoek en op alle mogelijke plaatsen worden we aangeklampt door emigranten, nu zij in de gaten hebben wie wij zijn. Deze zitdagen worden per scheepsomroep bekend gemaakt. Er zitten ongeveer 120 Limburgers op het schip, waarvan ik er nog al wat ken. Ook een dochter van de baas van “Sjeuf van de Liza” (mej. Steinman uit Sittard) is er bij. Zij gaat haar verloofde opzoeken in Australië. Over het algemeen is de houding van de emigranten nog prima. Wel merk ik nu reeds, dat er een soort zelfselectie plaats vindt, de goeden bij de goeden en de zogenaamde minderen bij de minderen. Het optreden van iedereen is tot nu toe zeer beschaafd en van uitwassen is geen sprake. Trouwens het weer draagt hierbij ook het zijne bij. Het is nog steeds niet warm, doch ook niet koud. Men zou kunnen spreken van een prille zomer. Als de zon schijnt heb je absoluut je zonnebril nodig, zo fel is het licht. De pullover heb ik natuurlijk niet meer nodig en ook niet de sjerp. Verscheidene honderden emigranten, die wij tot nu toe spraken, hebben volledig vertrouwen in hun toekomst. Velen zijn wellicht te optimistisch. Verschillende van die dappere moeders heb ik reeds gesproken en waar je zo van harte naar kunt luisteren en altijd in de weer zijn met hun vaak kleine kinderen. Ik heb er diep respect voor en ben er zeker van dat OnzeLieveHeer deze moeders zeker rijk zal zegenen, want dat hebben ze zeker verdiend.
We hebben een gereserveerde tafel in de eetsalon. Wij zijn hier steeds met vier dezelfde personen aan deze tafel: een jong echtpaar uit Den Haag, Kees en ik.

booteetzaal

De bediening is buitengewoon. Voor onze tafel zijn twee bedienden, die zich voor ons uitsloven, terwijl de chef-hofmeester zo nodig ook nog bijspringt. Zoals je al weet, hebben we een tweepersoonshut. Ik slaap in het bovenste bed; en dan maar gekheid maken van beneden naar boven en omgekeerd. In onze hut hoeven wij zelf niets te doen, daar hebben wij weer een eigen hutbediende voor. Toch kun je zeer gemakkelijk je geld kwijt aan allerlei kleinigheden. Lucifers worden niet verkocht, dus heb ik een aansteker moeten kopen ( 2 gulden). De tweede dag waren mijn nieuwe manchetknopen al stuk; ik heb toen maar een paar nieuwe gekocht, het goedkoopste paar voor 4 gulden. Voor de rest is alles te koop tegen normale winkelprijs. Het rookmateriaal is echter goedkoper dan in Nederland. Echte Amerikaanse sigaretten (Lucky Strike, Camel enz. 60 cent per pakje). Mijn schoenen heb ik nog niet gepoetst, ik moet natuurlijk nog “wiks” en schoenborstel kopen.

boothut

Ik kan natuurlijk nog uren doorgaan met allerlei feiten en feitjes te vertellen, maar je moet maar tevreden zijn met hetgeen ik je nu heb geschreven. Een volgende keer krijg je van mij een nieuw verhaal. En hoe gaat het toch met jou? Ik hoop, dat je veel moed hebt, om blij en opgewekt je werk te doen. In gedachten ben ik steeds bij jou en de kinderen.
13 Januari. Nog gauw even een krabbeltje. We zullen morgenochtend in Port Said arriveren en mogen daar enkele uren aan wal. Vanochtend hebben wij weer spreekuur gehad. Vandaag heeft het voor de eerste maal geregend. Mama ik moet er thans mee ophouden, want ik word gewaarschuwd om de post in te leveren. Ik hoop morgen een lange brief in Port Said van je te vinden en verwacht in Aden zeker een volgende brief.
Veel liefs

_________________________________________________________________________

NA AANKOMST TE PORT SAID ZAL AAN DE PASSAGIERS WALVERLOF GEGEVEN WORDEN

Zij, die aan wal gaan worden verzocht van het onderstaande goede nota te nemen:

  • Na aankomst zullen de politie-ambtenaren van Egypte aan boord komen en plaats nemen in de Conversatie-zaal –vóór- teneinde de paspoorten af te stempelen.
  • Ter controle zal Uw paspoort aan de valreep worden ingenomen, waarvoor U een genummerd strookje ontvangt. Bij terugkeer aan boord ontvangt U Uw paspoort weer op dit strookje terug, dus het is zaak dit goed te bewaren en onmiddellijk, wanneer U aan boord terug komt in te leveren voor Uw paspoort.
  • De verbinding met de wal geschiedt door middel van een ponton, zodat U rechtstreeks van boord aan wal kunt gaan zonder gebruik behoeven te maken van launches.
  • Overtuigt U, alvorens het schip te verlaten, hoe laat U weer terug aan boord moet zijn.
  • Deze tijd staat aangegeven aan de valreep in scheepstijd.
  • Het aan wal gaan geschiedt geheel voor eigen risico, noch de Nederlandse Regering, noch de Maatschappij stelt zich aansprakelijk voor enige schade of enig verlies, of voor de gevolgen van niet op tijd terug zijn aan boord.
  • Passagiers worden aangeraden de patrijspoorten te sluiten.
  • Bergt kostbaarheden goed op of geeft deze zolang in bewaring bij den Administrateur.
  • Gedurende het verblijf in de haven is de kas gesloten.

________________________________________________________________________

14 januari 1954
Suez-kanaal

Suezbrief

Vanochtend om 7.00u zijn wij de haven van Port-Said binnengelopen, waar om 8.00u de eerste post werd uitgedeeld. Jammer genoeg was er nog geen brief van jou erbij; ik hoop nu maar, dat ik hem morgen in Suez ontvang of anders in Aden. Het is ontroerend om te zien, met welke spanning en liefde de emigranten de brieven lezen; de tranen springen je in de ogen. Ik zelf ontving toch nog een brief en wel van Wim Derks. Je kunt je niet voorstellen hoe blij ik er mee was. Het was weer zo’n echt hartelijk schrijven, dat je zo goed doet en waarin me nog allerlei goede tips en adviezen werden gegeven. Ook was Wim en meneer Niesten, 5 januari j.l. nog aan de trein geweest en hadden me toen natuurlijk niet gezien.
Hoe is het nu met jou, Mama en onze lieve kinderen! Ik hoop maar dat jij je niet te eenzaam voelt. Houdt veel contact met Net en alle anderen en vooral met O.L.Heer, dan zal alles goed gaan. Schrijf me veel en alles, ook als iets niet goed zou zijn, want eerst dan voel ik me pas volkomen op mijn gemak. Kan Sef me ook niet eens schrijven? Hoe je precies moet adresseren vindt je in het boekje. Voor de post, die ik van je in Australië hoop te ontvangen, kun je voorlopig de brieven aan mij adresseren als volgt: F. Weusten, c/o Ir. Pieters, Neth.Migration Attaché, Circle 22, Forrest, CANBERRA, Australië. In mijn volgende brief zal ik dit nog bevestigen of wijzigen.
Om 9.30u zijn we Port Said gaan verkennen. Een volkomen Oosterse stad. Volkomen anders, dan wij ons kunnen indenken. Ofschoon de stad vanuit de verte een mooie indruk maakt, is het er, op verschillende wijken uitgezonderd, een smerige vieze boel. In onze ogen , zijn de meeste mensen verschrikkelijk armoedig gekleed en vuil en vies. In vele straten hangt een luchtje, dat je niet thuis kunt brengen, in elk geval geurt het niet naar eau de Cologne. Er is een geweldige handel in allerlei artikelen (vooral lederwaren), maar ook veel sinaasappels (nog met groene blaadjes aan het steeltje), pinda’s, Zwitserse polshorloges, Amerikaanse vulpennen, kralen, ivoren olifantjes (echt leuk maar van fl. 10,- tot fl. 20,- per stuk). Ik heb nog niets gekocht. Als je iets goeds wilt hebben, betaal je er ook goed voor. Ik had graag, dat je me eens schreef, wat je het liefste zou willen hebben of vindt je het goed dat ik zelf maar iets uitzoek? Als je de smerigheid en viesheid van mens en huis wegdenkt, lijkt de stad op bijvoorbeeld Volendam, waar je ook omzwermd wordt door allerlei kooplui e.d., maar dan hier veel en veel erger. Fototoestellen mochten wij niet mee aan land nemen; ik en verscheidene anderen, hebben het toch maar gedaan. Ik heb echter maar 1 foto, heel vlug, kunnen maken, want als de politie ziet fotograferen, neemt ze het toestel in beslag en ben je het kwijt. En het wemelt er van de politiemannen. Ze kunnen waarschijnlijk niet goed hebben, dat deze armoede en smerige boel wordt gefotografeerd. Om 11.30u moesten wij aan boord terug zijn. Het schip was omzwermd met allerlei bootjes met koopwaar en een geschreeuw en gehandel vanjewelste. Eerst wordt gehandeld, dan gaat de waar in een mandje, een touw wordt aan boord geslingerd, je haalt op en legt daarna het overeengekomen bedrag in het mandje en laat dit weer in het bootje neer. Aan boord zelf waren ook verschillende kraampjes aanwezig en Arabische kooplui maar waren aanprijzen in alle mogelijke talen. Een fantastisch gezicht.
12.15 Uur vertrek door het Suez-kanaal (ongeveer 160km lang) met een slakkengangetje. Morgenochtend komen we dan in Suez aan. Langs weerszijden van dit wereldberoemde kanaal, zand, zand ….zand (iets voor Pierre in Eckelrade?), nu en dan wat groen, palmen, een (militaire) nederzetting, wat eenzame kraalhutten van stro en leem (de varkensstallen bij moeder zijn veel en veel beter) en ook wat kamelen. Maar het is weer eens wat anders, dan alleen maar water en nog eens water, dat wij de laatste dagen gezien hebben. En nu maar weer doorvaren tot Aden, onze volgende pleisterplaats. Van hier uit mogen wij weer een brief posten.
Hoe is het met de sneeuw in Keer? Zijn de kinderen goed braaf en helpen ze je goed. Mama, ik hou er thans mee op. Ik heb deze brief in mijn hut geschreven (het is hier rustiger) en ik moet hem gaan posten. Kees zit achter mijn rug, op “zijn huuken” pinda’s te knabbelen. Hij heeft er een massa gekocht.

________________________________________________________________________

29 januari 1954
Indische Oceaan

Wat was ik blij en gelukkig met je 2 brieven, die ik in Aden mocht ontvangen. Dat doet je goed; veel meer, dan ik je schrijven kan. Ik ben toen maar direct gaan lezen, zonder acht te slaan, of en wie er naast me zat. Trouwens dat doet dan iedereen. Als je dat één keer meemaakt, dan merk je pas eens goed, hoe de emigranten nog steeds aan hun eigen goede Holland hangen. Ik heb in één adem beide brieven vliegensvlug doorgelezen en toen langzaamaan nog eens een paar keer over. Ik vond het erg lief van de kinderen, dat ze ook wat schreven.
Hoe was het met je verjaardag Mama? Heeft het telegram je tijdig bereikt en ook de taart? In gedachten ben ik die dag altijd bij je geweest en ik hoop, dat je goed genoten hebt. Leggen de kippen nog altijd en hoe is het met je huishoudgeld? Kom je goed uit? Als ik terugkom, is er dan al iets te zien van de erfenis (dit in verband met de a.s. verhuiskosten)? Nog niets gehoord over een huis? Enfin, dit zijn allemaal vragen, die je wel in je volgende brief zult beantwoorden.
En nu gauw nog iets over mijn leven aan boord. Op 18 januari hebben we een bezoek aan Aden gebracht.Aden Het was een prachtige, zonnige dag. Overal liggen schepen. Zeer veel winkels met vooral Amerikaans, Japans en Arabisch spul. Ik heb nog niets gekocht behalve een paar gymnastiekschoenen voor drie gulden. De bevolking is donkerbruin tot pikzwart. Overal tulbanden en veelkleurige “lommelen”. Het stinkt er iets minder dan in Port Said. Hoe arm de negers ook zijn, velen van hen, dragen toch “gouden” tanden (ik denk dat ze deze moeten poetsen met VIM). In de achterbuurten is het overal een leven vanjewelste en verschrikkelijk vies en smerig. Ik heb er enkele foto’s gemaakt. Op 19 januari hebben wij de verjaardag van Prinses Margriet gevierd, het petekind van de koopvaardij-vloot. Wij (“de Aal”, de dominee, Kees en ik) werden uitgenodigd op een borrel bij de kapitein. Er werd gedronken op de gezondheid van de prinses en daarna op een goede reis in Australië en onze behouden terugkeer. ’s Middags was er poppenkast voor de kinderen. Er was een reusachtige belangstelling (er zijn namelijk ongeveer 650 kinderen tot 12 jaar aan boord). ’s Avonds was er een prima diner. Eetzaal mooi versierd; muziek van het scheepstrio en een toespraakje van de kapitein. Daarna werd door allen het Wilhelmus gezongen. Dit was een ontroerend moment (tranen bij mannen en vrouwen). Hierna Oranje-bal tot middernacht. Ik moest en zou er ook bij zijn. Uiteindelijk heb ik de vlucht genomen, na bij een sneeuwbaldans (de dames vragen de heren) drie dames een blauwtje te hebben laten lopen.
En thans zitten we reeds 10 dagen op de eindeloosheid van de Indische Oceaan. Er is niets anders te zien dan water, water en nog eens water. De stemming blijft over het algemeen prima, ofschoon het enkele dagen ontzettend warm is geweest. Ik zelf ben ruim een halve dag volkomen van de kaart geweest en heb toen het bed moeten houden (veel fruit en sinaasappels gegeten). Ik ben nu weer volkomen fit, ook al omdat het lang niet meer zo warm is (in Holland vriest het 8 – 13 graden, lees ik vandaag in de scheepskrant). Enige dagen geleden, toen ik aan dek, in een luie stoel, in slaap was gevallen, heb ik in een klein uurtje, lelijk mijn armen en benen verbrand in de zon. Dat overkomt me niet meer.
Op 22 januari hebben we de sensatie van deze reis meegemaakt. ’s Avonds om zeven uur (het was juist flink donker), sprong een hutbediende – volkomen overstuur – plotseling pardoes in zee. Direct groot alarm. Reddingsboeien werden overboord gegooid, waaraan brandende lampen waren bevestigd. Alle schijnwerpers sprongen aan. Het schip begon rondjes te draaien, maar er was niets te zien. Per scheepsomroep wordt verzocht om goed te kijken en te luisteren. Om 20.45u , horen we uit de verte hulpgeroep. Er wordt door gezocht, maar nog altijd zonder succes. Om kwart over negen, wordt hij plotseling in een schijnwerper gevangen. Een ontroerd gejuich gaat op. Tientallen mannen en vrouwen lopen huilend weg. Met een reddingsboot wordt hij tegen half tien aan boord gebracht. De bemanning van de reddingsboot krijgt een ovatie. Deze redding wordt praktisch als een wonder beschouwd.
Op 30 januari was er een zeer geslaagde cabaretavond. Hij werd gegeven door en voor de emigranten. Het leek wel op “Het hele dorp” van Radio Hasselt, maar dan op veel hoger peil. Er was een reusachtige belangstelling. Vandaag werd door de kapitein de prijzen uitgereikt, behaald bij de diverse wedstrijden. Na afloop bood een klein meisje aan de kapitein een prachtige oorkonde aan, namens alle kinderen aan boord. Een pakkend moment was dat en de kapitein was werkelijk ontroerd.
Ik zit alleen rustig in mijn hut. Alleen de zee is niet rustig en er is een flinke deining, zodat het vrij moeilijk is om te schrijven. Verschillende mensen zijn weer zeeziek (o.a. de arme Aal). Ik heb er totaal geen last van en ben volkomen fit.
opzeeZo is hier het leven aan boord Mama, en over 2 dagen (nl. 01 februari) bereiken wij eindelijk Australië, namelijk in Fremantle. Wij hebben uit Australië een telegram ontvangen, dat wij, Kees en ik, hier in Fremantle van boord gaan (eerst zou het Sydney zijn, dus nog een dag of acht langer op zee). Van hieruit gaan wij onze grote tocht door Australië maken en wij verheugen ons reeds nu op de bezoeken, die wij er zullen afleggen. Met het posten van deze brief, wacht ik tot wij in Fremantle van boord gaan, dan kan ik je ook nog schrijven of ik er een brief van jouw heb ontvangen. Ik heb ook een brief aan Net, Sef van Noonk Wullum en dhr.Niesten geschreven; deze zullen hun brief wel een dag eerder, dan jij ontvangen omdat ik deze nog op de boot post. Wil je allen hartelijk groeten, ook Christien en Jean en niet te vergeten het “theekransje”. Ik hou er thans mee op en zal nog iets aan deze brief toevoegen als ik van boord ga.
P.S.: mijn familie in Eckelrade schrijf ik nog vanuit Australië.
01 februari 1954
Het is thans half tien ’s avonds en zit alleen in mijn kamer in het “Koning Edward Hotel” in Perth (200.000 inwoners). Het is vreemd rustig, nu ik niet meer de deining van de zee voel. Ik ben erg moe. Vanmorgen om half zes opgestaan; de kust kwam reeds in zicht. We hebben toen tot half twee flink moeten werken om ongeveer 300 mensen te ontschepen in Fremantle. Daarna zijn Kees en ik, de stad wat gaan verkennen. Het eerste wat me opviel waren de vliegen, die plots overal om je heen vlogen. Het linkse verkeer, de fietsen met omgekeerde stuur en de mannen die de kinderwagens duwden. De woningen hebben praktisch allemaal maar één verdieping. Palmbomen overal te zien en in de winkels alle mogelijke fruit. Eind van de middag werden we met een auto afgehaald en naar Perth gebracht. (Kees kon bij familie overnachten en ik ben thans in een hotel). In dit deel van Australië zullen we ongeveer 10 dagen blijven en dan doorvliegen naar Melbourne of Sydney. Ik heb vanavond een uurtje door de stad gewandeld en voelde me toch wel wat eenzaam (maar dit zal morgen weer over zijn, denk ik).
Je brief heb ik vanmorgen op de boot ontvangen en hiervoor dank ik je van ganser harte, Mama. Daar knap je echt van op als je leest, dat alles met jou en de kinderen goed gaat.
Ik ben blij, Mama, dat Wim Derks eens bij je is geweest en hoop, dat je een beetje steun van hem hebt mogen ondervinden.
Mama, nu ga ik naar bed, want morgenvroeg begint de eerste trip. In totaal heb ik nu van jou 3 brieven ontvangen, nl. 2 in Aden en vandaag 1 in Fremantle. Klopt dit? Doe ook mijn hartelijke groeten aan Opa en al de anderen en laat ook eens een H.Mis voor moeder zaliger lezen!

________________________________________________________________________

06 februari 1954
Perth

Hoe gaat het met jullie in Keer, ligt er nogal wat sneeuw? Hier is het verbazend warm, zo tegen de 40 graden. Ik begin al tamelijk te wennen in het onmetelijke Australië. De dag na onze aankomst, hebben we reeds een bezoek gebracht aan het kamp Holden. Dit is een centrum, waar ongeveer 1000 emigranten, die nog niet over huisvesting beschikken, tijdelijk kunnen worden ondergebracht. Het viel ons niet al te best mee. Na al die verwennerij op het schip, valt het velen hard, zo plotseling de harde werkelijkheid in het kamp te moeten ondervinden. Vooral de Australische keuken valt nogal tegen, ook Kees en mij. De grondstoffen zijn prima, maar het eten wordt soms zo raar en vreemd klaargemaakt (o.a. zuur en zoet door elkaar), dat het je de eetlust beneemt. Wij hebben er echter al iets op gevonden; wij hebben namelijk onze tenten opgeslagen bij een zwager van Kees, die een kilometer of tien buiten Perth woont. Als we niet op stap zijn, dan eten en slapen wij hier en natuurlijk wordt er dan Nederlands gegeten. Deze zwager van Kees, is reeds ruim drie jaar in Australië en heeft vijf jongens, waarvan de oudste bijna 11 jaar is en de jongste 15 maanden (die moet ik nu en dan eens heerlijk knuffelen, want zo’n kleine peuter doet je veel aan Margrietje denken). Het is een echt hartelijke familie, die een harde tijd heeft meegemaakt en nog meemaakt. Jo, de man dus, werkt als bouwvakker en na zijn dagtaak bouwt hij aan zijn eigen huis. Dit schiet al aardig op; de achtervertrekken zijn reeds klaar en hier wonen ze dan ook, evenals wijzelf, Kees en ik hebben ieder een veldbed en het is precies of we kamperen. Maar wat moet je hard zijn hier, om te kunnen slagen als emigrant! Als je hun levensverhaal hoort, moet je je verbijten van ontroering. Wat een moed, doorzettingsvermogen, aanpassing, levenslust en werkkracht bezitten deze mensen; ofschoon Cor (de vrouw) soms nog wel eens hunkert naar haar familie in Holland. Het leven is hier hard, maar ook heerlijk vrij. De deuren worden bijvoorbeeld nooit gesloten, zelfs niet als de mensen van huis gaan. Vriendelijk en voorkomend en hulpvaardig zijn de Australiërs. Maar alles is er anders. De prachtige grasperken zijn er om op te lopen en te liggen en nergens zie je een bordje met “verboden toegang”, zoals in Holland. Niemand zal je aankijken, als je alleen met je korte broek aan, door de stad wandelt en van standsverschil is er, voor zover wij kunnen beoordelen, geen sprake. Iedereen noemt je met je voornaam en als je een adres vraagt van een emigrant en je noemt diens achternaam, dan wordt steeds gevraagd hoe zijn voornaam is. Het is nu half vier en daar komt juist een andere zwager van Kees, met vrouw en drie kinderen op bezoek. Het wordt daarom wat “levendiger” in de keuken, waar ik zit te schrijven. Er wordt nu namelijk een kort filmpje opgenomen van beide families, dat Kees mee naar Holland neemt. Ook hebben ze gisteren een grammofoonplaat gemaakt voor de families in Nederland. Gisteravond heb ik twee Limburgse families bezocht, die vlak bij ons in de buurt wonen. Ze waren allebei afkomstig uit Venray. Ze vonden het geweldig en één man had het uiteindelijk te kwaad. Ik moet natuurlijk de families in Venray opzoeken.

De afgelopen dagen hebben we een zwaar programma afgewikkeld. Gemiddeld 4 à 500 km per dag over soms slechte wegen. Het was machtig interessant. Bergachtig en vlak, uitgestrekte verdorde grasvelden ( het is eind zomer en tot begin april zal het hier praktisch niet meer regenen), met grazende koeien, die er redelijk goed uitzagen (wat ze vreten weet ik niet) en grote aantallen schapen. En dan de bossen! Uren en uren lang hebben wij door deze bossen gereden en hier en daar een eenzame boerderij gezien. Hier in deze verpletterende eenzaamheid zou ik werkelijk nooit willen wonen. En toch zijn de mensen hier gelukkig en tevreden. We hebben hier bijvoorbeeld enkele emigranten ontmoet in de “buurt” van Margaret River. Een gezin, – man, vrouw en vijf kleine kinderen – werkte op een bedrijf van 750 hectare, waarvan nog slechts een klein gedeelte in cultuur gebracht was, terwijl de rest een en al wildernis en bos was. Bij een ander jong stel – man, vrouw en 1 kindje en het tweede op komst – hebben we een hele avond doorgebracht. Ze woonden ook volkomen in de eenzaamheid. Wat een prachtig jong gezin was dat! Volkomen tevreden en in elkaar opgaand; die niets anders hadden dan hun jonge liefde, O.L.Heer en de eenzaamheid. De man werkte op een boerderij, groot 5500 hectare, met 7500 schapen, 250 varkens en 120 stuks rundvee. Ook was er veel akkerbouw. In totaal waren er 3 arbeidskrachten!

Bijna waren we nog op kangoeroe- en vossenjacht geweest, maar de jeep was overbelast (9 personen). Wel hebben we een kangoeroe gezien, die de boer gevangen had en in een afgesloten weiland liep. Een aardig dier. Het springt gelijk met beide achterpoten en is hiermee vliegensvlug, terwijl het op zijn staart zit, die op een stok lijkt. We hebben heerlijk bij dit gezin gegeten en ’s avonds werden we door de man met de auto naar ons hotel teruggebracht. Onderweg hebben we minstens vier vossen in de koplampen gehad en tientallen konijnen. Het wemelt er van de papegaaien. Ook hebben we in Zuid-West Australië, het fruitgebied bezocht, waar zich uitgestrekte plantages van appels en peren bevinden (iets voor Gym?). De appels zijn bijna rijp. Ook tabak, druiven, perziken, meloenen – en noem maar op – worden geteeld. Zo is Australië, een wonderlijk land, maar alleen voor flinke vrouwen en mannen geschikt. Zwakkelingen mislukken hier onherroepelijk.

Zo hebben we de eerste vier “werkdagen” in Australië doorgemaakt. ’s Zaterdags en ’s zondags wordt hier niet gewerkt. Maandagochtend heb ik een onderhoud met Pater Pieters, die met de zielzorg der emigranten in dit deel van Australië is belast. Daarna trekken we er met de auto op uit tot woensdag en vertrekken dan ’s avonds per vliegtuig naar Adelaide. Als je deze brief ontvangt, zal ik dan aan het rondzwerven zijn in het gebied van Adelaide. Daarna naar Melbourne, Sydney en Brisbane. Dan keren we weer terug naar Sydney, waar wij tegen 15 maart ongeveer (dus iets later dan ik verwacht had) inschepen op het motorschip “Sibajak”, dat ons via Indonesië naar ons dierbaar Holland zal terugbrengen. Wij zullen dan zeker niet voor Pasen aankomen. Dit zal wel een teleurstelling voor jou betekenen en waarschijnlijk ook voor mij. Maar zulk een prachtige terugreis (we kunnen in Indonesië misschien hier en daar aan land) zullen we natuurlijk nooit meer krijgen.

Dit moet dan voor vandaag het einde zijn van deze brief, liefste Mama. Het is erg rumoerig om me heen en ik kan me niet goed concentreren. Ik moet je ook de hartelijke groeten doen van onze gastheer Jo en gastvrouw Cor en natuurlijk ook van Kees, die hier als een “schwelber” ronddwarrelt.
Ik verlang weer heel erg naar een lange brief van jullie. Ofschoon ik volkomen in dit gezin ben opgenomen, gaan mijn gedachten veel naar jou en de kinderen uit.

________________________________________________________________________

11 februari 1954
Adelaide

plgrond

Gisteravond om 10 uur zijn we per vliegtuig vertrokken van Perth naar Adelaide en we arriveerden hier om ongeveer 6 uur ’s ochtends. Deze vliegtocht is ons buitengewoon goed bevallen. Toen we over Perth vlogen, was het een fantastisch gezicht die miljoenen lichtjes van de stad te zien. Op het vliegveld werden we met de auto afgehaald door de heer J.Scheeren (we moeten hem beslist Jan noemen), emigratie-ambtenaar van Zuid-Australië. Hij heeft ons naar hotel “Majestic” gebracht. De eigenaar van dit hotel is een Nederlander, die ook nog een boerderij bezit, waaruit hij allerlei levensmiddelen voor zijn bedrijf haalt. Vóór het diner, hebben wij met hem een biertje moeten drinken. Na de lunch zijn we naar het kantoor van de heer Scheeren gegaan, hebben wat gepraat en zijn toen ingeënt tegen de pokken (dit moet namelijk, omdat wij op onze terugreis Indië aandoen) en hebben daarna met enige hoge Pieten van de Australische Emigratie-Autoriteiten kennis gemaakt en hiervan allerlei documentatiemateriaal ontvangen over Zuid-Australië. En thans zitten wij beiden te schrijven in onze kamer. Kees heeft de grootste lol en zingt allerhande psalmen met Latijnse en zelfgemaakte Nederlandse tekst, waar je je krom mee lacht.

Wij hebben reeds tien vrij zware dagen achter de rug van onze trip en vanaf morgen gaan we weer “uitstapjes” met de auto maken van gemiddeld zo’n 400 km per dag. Ondanks dit zware programma, hebben we veel kunnen genieten en vooral veel kunnen leren. Tientallen emigranten hebben wij bezocht en in vertrouwelijke gesprekken, vertellen zij dan van hun lief en leed, hun zorgen en successen, hun heimwee, dat werkelijk soms zeer erg kan zijn (een moeder bijvoorbeeld had alle foto’s weggesloten, om toch maar niet altijd aan haar vader en moeder in Holland te moeten denken). Overal werden we uitermate hartelijk ontvangen. Het beste wordt steeds voor de dag gehaald en we worden maar steeds getrakteerd op thee, koffie, cake, bier (dat heel veel wordt gedronken, mede in verband met het warme klimaat). Bij de families van Kees (hij heeft in Perth namelijk 2 schoonzusters wonen) ben ik steeds als kind in huis opgenomen en dat heeft me heel goed gedaan. Het afscheid gisteravond op het vliegveld, viel hen zeer zwaar.

Van de emigratie-ambtenaren in Perth, hebben wij alle mogelijke medewerking ondervonden. Het hoofd hiervan, de heer M. Apperloo, die wij na twee dagen, met zijn voornaam Maarten moesten noemen, heeft ons overal meegenomen. Deze Maarten is ook schrijver en heeft reeds verschillende boeken uitgegeven (romans en studieboeken). Zijn eerste assistent, de heer Anssems, is een buitengewoon fijne kerel en is zeer bevriend met Pater Pieters, waarmee ik een hele voormiddag heb geconfereerd en vele, soms vaak zeer moeilijke problemen heb besproken. Enfin, dat hoor je later wel. Zo gaat ons leven verder.

Dit is dan zo in het kort mijn nieuws. Ik hoop spoedig weer wat van jou en de kinderen te horen. Is het nog altijd koud in Nederland? Hoe is het met de gezondheid en drinken de kinderen ook weer levertraan? Blijf dapper en sterk, dan zal het zeker gaan.

________________________________________________________________________

17 februari 1954
Melbourne

Ik kreeg vanochtend je brief, via de heer Pieters uit Canberra, hier in Melbourne. Dat heeft me echt veel goed gedaan. Ik zal eerst proberen, het in je brief gevraagde, in het kort te beantwoorden. De door mij gemaakte foto’s zijn nog niet ontwikkeld; dit is namelijk praktisch niet mogelijk, omdat ik van “hot naar her” reis en bijna nooit langer dan 2 dagen in dezelfde plaats vertoef. Wel is er van Kees en mij, een foto in onze hut op de boot gemaakt. Als het niet te duur is, duw ik hem in deze brief. Wat Sjeng betreft, Mama, dat lijkt mij toch een moeilijk geval. Laat hem rustig afwachten, totdat ik terug ben. Emigreren is heus niet verhuizen; dat is alles in Holland afbreken, nee zelfs vernietigen en dan hier in Australië worstelen om er te komen. Financieel gezien, kom je er wel, als je maar alles aanpakt, maar hiermee is de emigratie nog lang niet geslaagd. Ik kan dit moeilijk allemaal op papier uitleggen. Met Net is het precies hetzelfde. Na mijn terugkeer, zal ik met hen beiden, alle mogelijkheden en moeilijkheden uitvoerig bespreken.

En nu de erfeniskwestie ! Ook dit is voor mij uiterst moeilijk, om op zo’n verre afstand, een gefundeerd oordeel uit te spreken. Laat Gym nog eens alles rustig overwegen. Ik heb een heel groot vertrouwen in zijn oordeel en eerlijkheid, zodat – in overleg met alle anderen – een verantwoorde beslissing zeker genomen zal worden. Schuif echter niets op de lange baan, want hierdoor worden de moeilijkheden nog altijd groter. Indien Gym wil emigreren, moet hij het huis zeker niet kopen, maar ik moet er bij vertellen, dat emigratie van een gezin met kleine kinderen, zeer, zeer hard is. Ik zeg dit niet om zijn keuze te beïnvloeden, maar omdat mij dit nu reeds, na een verblijf van veertien dagen in Australië, zeer duidelijk is geworden. Dit is nu eenmaal de harde werkelijkheid. Dit is erg zakelijk, hé, Mama, en daarom maar over wat anders gepraat.

Vanochtend ben ik, per vliegtuig, uit Adelaide naar Melbourne gevlogen. Het vliegen is heel gewoon, alleen heb je, als je niet in de wolken zit, een prachtig uitzicht. Op het vliegveld werden we afgehaald door de heer Teekens van de Nederlandse Emigratiedienst in Melbourne. Direct hierna werden wij reeds ontvangen door de Consul en de honorair Consul. Vanmiddag hebben wij een bezoek gebracht aan de Holden-Automobiel-Fabriek (de grootste van Australië), waar wij door de personeels-chef enige uren werden rondgeleid en waar wij met verschillende Nederlanders, die hier werken, hebben gesproken. Morgenvroeg vertrekken wij, per trein, weer enige dagen op tournee. Je ziet wel, dat ons weinig rust wordt geschonken en veel vrije tijd hebben we nog niet gehad. Wij zijn hier ondergebracht in een stinkend duur hotel (voor slapen en ontbijt fl. 16,=). Kees vloekt hierom vanjewelste; hij komt juist mijn kamer binnen om nog wat te sakkeren en te schrijven.

De afgelopen week hebben wij het prima gehad in Zuid-Australië met Jan Scheeren, die ons overal met de auto heeft naar toegebracht. Vrijdag heb ik een bezoek gebracht aan Pater Beerepoot (hij stelde zich voor als Pater Beereklauw) en hebben toen met hem Adelaide verkend en verschillende emigranten bezocht. Zondag vertrokken we per auto naar Mt.Gambier in Zuid-Australië, een afstand van ongeveer 500 km. Een eindeloze rit door een eenzaam landschap. Nu en dan een klein plaatsje en dan maar weer bos en zand. Om 12.00u ’s nachts bereikten we ons hotel. De dag erna een tochtje van 200 km gemaakt in de omgeving. De volgende dag weer terug naar Adelaide en toen hebben Kees en ik, Jan een afscheidsdiner aangeboden, hetgeen hij zeer op prijs stelde. We houden zoveel mogelijk aantekening van alles, maar soms is het ons wel eens te veel. Het leven is buitengewoon interessant hier, want alles is anders. De café’s (de pub noemen ze dat hier) zijn om zes uur gesloten en dan krijgt niemand meer iets. Maar even voor zes uur, zie je veel mensen met flessen bier komen aandragen, die dan thuis worden leeg gemaakt. Ook moet je hier op een andere manier eten. De vork bijvoorbeeld moet je ondersteboven houden en als je soep eet, dan leg je de linkerhand op je knieën. De vrouwen zien er goed verzorgd uit, maar niet zo modieus. Ook roken ze veel op straat, zelfs van die oude tangen. Als er bal is, zie je de meisjes in avondtoilet naar de danszalen trekken en dan zijn ze ook nog meestal alleen, zelfs na afloop.

Vorige week vrijdag, hebben Kees en ik “gedineerd” in een park in Adelaide. Het diner bestond alleen uit fruit, dat we in een winkel gekocht hadden (een halve kilo druiven, een halve kilo bananen en een halve kilo perziken, ieder voor fl. 1,40). We hebben gegeten dat het niet mooi meer was. En Kees maar grappen maken. Zo zie je Mama, dat ik niet veel tijd heb om te piekeren. Ik hoop dat jij ook zo bent. Als je van elkaar gescheiden bent, merk je pas goed, hoe hard je elkaar nodig hebt. Ik weet dat je dapper bent en ook dapper zult blijven. Ik ben blij Mama, dat je gelukkig was met mijn geschenkje op je verjaardag. In gedachten ben ik toen de hele dag bij je geweest. En nu ga ik slapen, want ik ben een beetje moe.

P.S.: Van Veus heb ik ook een brief gekregen vandaag. Doe hem de groeten en zeg hem dat ik mijn best zal doen om zijn vriend in Australië te bezoeken. Zeg aan Net, dat ik hoogstwaarschijnlijk niet L. Litjens kan bezoeken, omdat deze 200 km van mijn uitgestippelde route woont.

 ________________________________________________________________________

24 februari 1954
Brisbane

Het is nu half negen ’s morgens en ik heb nog even de tijd om nog wat met je te praten. Ofschoon nog vrij vroeg in de morgen, zweet ik me al kapot. Ik zit nu in mijn hotelkamer in Brisbane en hoef pas op 10.00u op kantoor te zijn. Natuurlijk hebben we de laatste week weer het nodige meegemaakt. Maar eerst nog even iets anders. Gistermiddag waren we in Canberra bij Ir. Pieters en daar heb ik je brieven ontvangen. Wat was ik daar toch blij mee. Om half zes vertrok het vliegtuig en gedurende de vlucht, heb ik stil zitten te genieten van al het nieuws van thuis. Ik wil vandaag niet veel ingaan op je brieven, daar ik er thans de tijd niet voor heb. Ik schrijf je zo spoedig mogelijk wel wat uitvoeriger. Alleen dit nog: Indien je iets van Den Haag ontvangt over pensioenregeling, ziekteverzekering enz., stuur alles naar Wim Derks, maar betaal geen enkele cent! Je moet ook niet corresponderen met Den Haag, laat dit allemaal in orde maken door Roermond. Gym zal je hierbij zeker willen helpen. Ik kom hier, als ik wat meer tijd heb, uitvoerig op terug. Ik wil onder geen enkele voorwaarde hebben dat wij uiteindelijk gedupeerd worden.
En wat de deling betreft: ik ben heel blij, dat alles zo goed verlopen is. Wat heb je, behalve de ham (bewaar je me een stukje “schink”?) nog meer gekregen? Ik ben hier erg benieuwd naar. Van Sef heb ik ook een aardige, leuke brief ontvangen. Wil je hem hiervoor bedanken? Mia had er ook wat bijgeschreven. Er zweeft mij momenteel zoveel door het hoofd, dat ik niet weet, hoe ik de dingen moet ordenen.

Vanaf woensdag 17 februari hebben we in de staat Victoria (Melbourne en omgeving) doorgebracht. Het vervoer was hier wel wat moeilijk, daar de emigratie-ambtenaar,  Jaap Feekens, niet over een auto beschikte. We hebben toen maar per trein en taxi gereisd en dat was nogal wat. Donderdag 18 februari zijn we per trein vertrokken naar Trafalgar (130 km van Melbourne). We waren op het nippertje bij de trein, zonder kaartje. De trein heeft toen maar enige minuten op ons gewacht, zodat we de treinkaartjes nog konden halen. Zo gaat dit hier in Australië. De treinen hebben hier alleen maar 1e en 2e klas. De 1e klas is wat minder, dan in Nederland, de 3e klas. Als je een vrij grote afstand moet afleggen, dan stopt hij onderweg nog wel eens een keer bij het een of ander station, gedurende een kwartier of half uur. Je kunt dan wat gaan eten of drinken in het station en wordt per luidspreker gewaarschuwd, wanneer de trein weer verder gaat.

Op de plaats van bestemming werden we afgehaald door dominee de Vries, een prettige, joviale kerel (heeft vrouw en drie kinderen), die het hier niet breed heeft. (Hij melkt zelf zijn eigen koe en houdt er wat kippen op na). Met zijn auto hebben we toen anderhalve dag rondgetoerd en weer verschillende emigranten bezocht. Hij bracht ons o.a. bij een familie uit Noord-Brabant, waarvan de vrouw alleen thuis was. Wij hebben er een uurtje gezellig bij elkaar gezeten, waarbij moeder Hendrikse (een type als tante Greet) praktisch alleen het woord had. Het was echt een tafereeltje uit een boek van Antoon Coolen.

Zondag 21 februari heb ik een bezoek gebracht bij Pater Maas. Jammer genoeg was hij zelf niet aanwezig. Toen heb ik een lang onderhoud gehad met mevrouw Zeegers, die hem bij zijn werk assisteert. In het huis (hostell wordt dit hier genoemd) van Pater Maas, zijn altijd Nederlandse vrijgezellen ondergebracht, die hier slapen en eten; natuurlijk tegen betaling. Gemiddeld verblijven hier een 50-tal Nederlandse jongens, die het best naar hun zin hebben. Ikzelf heb met hen gegeten, een degelijke Hollandse pot en echte goede soep (Australische soep is namelijk zoiets als schotelwater; men schept er altijd het vet af en gooit dit weg). De vrijgezellen maken er van, wat er van te maken is. Ze hebben een club, nl. de Lege-Flessen-Club en een clublied. In de recreatiezaal hangen tegen de muur allemaal lege Bols-flessen en om de veertien dagen komen er verschillende bij. In de slaapzaaltjes hangen de foto’s van allerlei filmsterren. Mevrouw Zeegers heeft er goed de wind onder en controleert scherp of ze ’s zondags ook allemaal naar de kerk gaan, zo niet, dan moeten ze ophoepelen.

Het is nu avond en ik zit alweer in een andere hotelkamer, namelijk in Toowoomba. Het gaat hier allemaal vliegensvlug. Ofschoon ik een beetje moe ben (ik heb de afgelopen nacht niet al te goed geslapen, omdat er nog al wat muskieten verkikkerd waren op mijn bloed) wil ik deze brief toch afmaken. Ik weet uit eigen ervaring veel te goed, wat het betekent, als je lang op wat nieuws moet wachten.

Maandag 22 februari zijn we in het grote emigrantenkamp in Bonegilla geweest. Per trein gereisd en per auto ( ruim 300 km ten noorden van Melbourne). Hier hartelijk ontvangen en verschillende emigranten gesproken, die bij ons op de boot zaten. Hier heeft het de laatste vier maanden niet meer geregend en toevallig viel er ’s-middags een buitje. We hebben zelf in het kamp geslapen en zijn de volgende morgen per auto doorgereden naar het vliegveld Corowa, waar wij om 13.00u vertrokken naar Canberra. Hier zijn we maar enkele uren gebleven bij onze grote baas Ir.Pieters en vlogen daarna naar Sydney en dezelfde avond nog naar Brisbane. Hier blijven we tot 4 maart en vliegen dan door naar Sydney, waar het einde van onze zwerftocht komt. Je ziet Mama, dat we nu reeds kunnen gaan aftellen.

En nou neem ik je lieve brieven nog even voor mij en wil je hierop nog het een en ander antwoorden. Ik lees, dat Asje nog steeds ijverig tekent. Dat vind ik heel fijn van je Asje, maar leer je ook nog goed rekenen? En hoe is het met jou Hans? Wordt je weer de eerste van de klas? Als dit waar is, dan breng ik je mooie postzegels mee. Ik lees Mama, dat je ook nog geen kinderbijslag hebt ontvangen. Laat Gym dat eens uitzoeken. Met de uitgaven die je gedaan hebt, ga ik van ganser harte akkoord en dat meen ik werkelijk. Ik vind het fijn dat het niet meer zo koud is in Holland; nu heb je zeker de strijkijzers niet meer nodig hé? Ik lees verder in je brief van een tweede schrijven van het pensioenfonds. Ik zit me werkelijk te ergeren op Roermond. Als je iets ontvangt, stuur direct de hele boel naar Roermond, want daar moet men het in orde maken.
Wat Net je wil geven, vind ik allang goed. Heeft ze in Sittard de betrekking gekregen? Ik zou dit echt fijn voor haar vinden. Het ameublement zal ik gaarne eens gaan zien als ik terug kom, maar ik zou toch niet graag hebben, dat je het nu al kocht. Liefste Mama, ik ga thans eindigen. Kees ligt reeds in bed en het is bijna elf uur. Ik dank je nogmaals van harte voor je lieve brieven en ik hoop dat je gelukkig en blij bent, als je weer eens een brief van mij krijgt.

 ________________________________________________________________________

28 februari 1954
Brisbane

Hier ben ik weer met wat nieuws. Gaat alles nog goed in Keer? Hoe is het met de kou in Nederland en is de winter bijna om? Je zult wel het nodige hout hebben moeten kappen, hé, Mama? Hier is het zeer warm; de afgelopen dagen heeft het veel geregend, maar deze regen brengt praktisch geen afkoeling. Vanmorgen ben ik in de kathedraal naar de H.Mis geweest. Het was zeer druk in de kerk (dit in tegenstelling met andere plaatsen) en zeer warm. Veel vrouwen zaten in de kerk met een waaier. Verschillende moeders brengen de baby’s mee naar de kerk en geven hen onder de H.Mis, ook de fles, als ze teveel lawaai maken. Wat me hier opvalt is, dat alle mensen met grote aandacht en eerbied de H.Mis volgen. Hier kunnen we een voorbeeld aan nemen.
De stad Brisbane (450.000 inwoners) wordt thans versierd, in verband met het aanstaande bezoek van de koningin van Engeland. Als ze hier aankomt, zijn we weer vertrokken. Ook in de andere steden (allemaal prachtig versierd) hebben we haar niet gezien.
De afgelopen dagen hebben wij weer heel wat afgelegd, zo om en om de 1000 km. Als je een kaart in de buurt hebt, kun je misschien nagaan, waar ik ongeveer gezeten heb. O.a. in Toowoomba, Pittsworth, Jandowae, Darr Creek, Dalby en in het gebied van Darling Downs. Op de kaart lijkt het allemaal niet zo ver uit de buurt van Brisbane, maar in werkelijkheid zijn het altijd honderden kilometers. In Pittsworth hebben wij onder andere een boer bezocht uit Groningen. Hij kende praktisch nog niets van de Engelse taal, ofschoon hij reeds 1 jaar in Australië was. Hierdoor is er enige wrijving ontstaan met zijn werkgever, hetgeen zeer begrijpelijk is. Hij moet de volgende week van het bedrijf af. Toen zijn we gaan zoeken naar een andere boer, die hem in dienst wilde nemen. 200 Km verder zijn we hierin geslaagd. Hij komt nu op een bedrijf van ruim 2000 hectare en moet hier met zijn drie oudste kinderen de veestapel verzorgen. Hij krijgt hiervoor in het begin fl. 850,= per maand, vrij wonen, onbeperkte hoeveelheid melk en per week 1 kg boter. Als hij toont, dat hij werkelijk goed kan boeren, krijgt hij na verloop van tijd, 1/3 van de melkopbrengst en 1/3 van de kalverenverkoop. Je ziet wel, dat, als men wil, hier veel geld verdiend kan worden.

paardfiets2

Onderweg naar die nieuwe boer, ontmoetten wij ook enige kinderen, die juist uit school kwamen. Drie hadden een fiets en twee anderen waren te paard. Ik heb toen gauw een foto genomen, want ik vond dit een leuk tafereeltje. Onderweg hadden wij nogal wat regenbuien en verschillende wegen waren overspoeld.
Ook tref je hier allerlei soorten vogels aan, grote en kleine, in prachtige kleuren. De streek hier is volop groen; soms doet het je denken aan Zuid-Limburg en de Ardennen. Er wordt hier van alles verbouwd, wij zagen zelfs grote velden met pindanootjes, ook sinaasappels, enz. Op onze terugweg naar Brisbane, namen wij de directeur van het arbeidsbureau uit Toowoomba in de auto mee. Onderweg hebben wij toen wat gezongen, Hollandse en Engelse liedjes.
Gisteren hebben Kees en ik, Brisbane wat verkend. Op een hoek van een straat, stonden muzikanten van het Leger des Heils te blazen. Achter ieder nummer, kwam er eentje voor de microfoon wat prevelen. We hebben ons lachen soms niet kunnen bedwingen.
Daarna zijn we naar een danszaal gegaan. Het was een grote zaal en het publiek bestond vooral uit oudere mensen. De vrouwen zaten overal langs de muren, terwijl de mannen wat rond klungelden. Er waren mannen en vrouwen bij van tegen de zeventig. We hebben een oude tante (een figuur nog dikker als tante Greet) over de vloer zien waggelen met een oude heer, dat we weg zijn moeten gaan, zo koddig was het.
Wij hebben hier in Brisbane, een grote kamer in het National Hotel. Boven onze bedden hangt een soort troonhemel en daar overheen een blauw muskietennet. Als je ons ziet liggen, denk je, dat we een paar geesten zijn.
We krijgen zo net een telefoontje van Henk Knottenbelt, dat we vanavond bij hem aan huis verwacht worden. We vinden dit fijn, omdat nu de zondagavond gevuld is, want ontspanning op zondag is hier niet. Hoogstens kun je naar zee gaan. Café’s en bioscopen zijn gesloten. Je merkt dus wel Mama, wat een ongelukkige, onbestorven weduwnaar ik ben. Gelukkig gaat de tijd snel voorbij. Nog ruim 10 dagen en ik zit weer op de boot. En dan maar aftellen! Je mag gerust weten, dat ik nu en dan wel eens wat heimwee heb en dat ik veel naar jou en naar de kinderen verlang.
Liefste Mama, wees sterk in alles en hou er de moed maar in. Nog anderhalve maand en dan ben ik weer bij je.

 ________________________________________________________________________

07 maart 1954
Sydney

Gisteren heb ik pas je twee laatste brieven (afgestempeld in Holland op 18/2/54) ontvangen. Je merkt wel, dat dit nog al lang geduurd heeft, maar dit kwam, omdat G.van Rijn, de assistent-emigratie-attaché te Sydney, de brieven vier dagen in zijn zak had gehouden. Je schrijft me, dat ik nu zelf misschien wel wil emigreren. Daar hoef je heus niet bang voor te zijn, want er is maar één Holland en het is hier niet allemaal goud wat er blinkt. Wat de korte broekjes betreft: hier heb ik in Australië niet veel aan. Ik heb slechts enkele dagen in korte broek rond gelopen. We moeten namelijk onze “stand” ophouden, omdat we officiële personen zijn. Jammer genoeg.
De laatste dagen hebben ze weer heel wat met ons rondgesjouwd. Ook heb ik nog met verschillende mensen, die via ons kantoor zijn geëmigreerd, gesproken. Hierbij was o.a. iemand uit Beegden; een pittig kereltje van 21 jaar, die in de buurt van Brisbane op een tuindersbedrijf werkt. Hij heeft een eigen kamer en badkamer (stel je dit echter niet te luxueus voor) en denkt in één jaar tijds fl. 3500,= te kunnen sparen. Ook heeft hij zich een motorfiets aangeschaft, terwijl hij ieder jaar fl. 250,= extra van de baas krijgt, om over enige jaren eens op vakantie naar Holland te kunnen gaan. Je moet echter niet denken, dat het iedereen zo goed gaat.

Op 3 maart zijn we van Brisbane, met de auto komen afzakken richting Sydney. Dat we niet per vliegtuig naar Sydney zijn gegaan, kwam door het feit, dat G. Van Rijn ons de overstroomde gebieden wilde laten zien. Het schijnt dat dit ook reeds in de Nederlandse kranten heeft gestaan. Er heeft hier een dag of tien geleden namelijk een cycloon gewoed, waardoor grote gebieden onder water kwamen te staan. Ook zijn er verschillende mensen en veel vee verdronken. Op één plaats waren 11 woningen totaal weggespoeld. Onder de Nederlanders zijn gelukkig geen slachtoffers. Bij een Brabantse familie zijn we buitengewoon hartelijk ontvangen. De man, Kees Meys (hij had al veel moeite met zijn Nederlands) is met een Australisch meisje getrouwd en ze hebben twee kinderen. ’s Avonds hebben we toen nog een concert (cabaret, zang, dans enz.) bijgewoond voor de slachtoffers van de overstroming. Deze avond bracht ruim fl. 1000,= op. Een echte mooie avond, waarop Kees Meys ook verschillende liedjes zong. Hij heeft een prachtige tenorstem en kreeg het grootste applaus. Na afloop van het concert, zijn we aan wel 20 personen voorgesteld, o.a. de burgemeester. Het was eigenlijk te gek om los te lopen. Ook zouden onze namen in de krant komen en wat wij in Nederland deden.
Gisteren hebben we het laatste stuk (ruim 550 km) tot Sydney afgelegd. Een zeer vermoeiende tocht. Wel was het een prachtig landschap, het mooiste dat we tot nu toe gezien hebben.bananen Reusachtige valleien en prachtig groene heuvels, veel rivieren en kreekjes en nu en dan de zee. Het was werkelijk indrukwekkend. En wat er hier wel niet allemaal groeit ! Grote vee- en kippenbedrijven, ananas, sinaasappels (de bomen zijn precies als onze pruimenbomen) en niet te vergeten de bananenplantages. Als je dat ziet, vergeet je het nooit meer. Het zijn allemaal palmbomen, waaraan heel dikke trossen bananen hangen. We hebben er eentje onderweg gekocht voor fl. 2,50. Aan deze ene tros hingen meer dan 100 bananen. Ik heb er een foto van gemaakt.
’s Avonds om halfacht arriveerden we in Sydney, doodmoe en volledig onder het stof. Kees verblijft deze laatste dagen bij vrienden, even buiten Sydney, terwijl ik hier in het Oriental-Hotel ben ondergebracht. Ik geloof, Mama, dat ik veel geleerd heb op mijn zwerftocht door dit jonge werelddeel. Dit land kan hard, maar ook zacht en goed zijn. Zwakkelingen gaan hier te gronde, maar pioniers hebben hier een beste toekomst.
Als je deze brief krijgt, zit ik al enkele dagen op zee en dan begint het aftellen pas goed. Wil je ook de rapporten van de kinderen bewaren. Heeft Net de betrekking in Sittard niet gekregen? Ik hoor er niets van. En het geld van de erfenis? Is dit nog niet uitgekeerd? (Direct bij ontvangst naar de Boerenleen-bank brengen, hé?).
Wat ik voor souvenirs moet kopen, weet ik nog niet. Een kleinigheidje heb ik al wel gekocht. Ivoor is echter geweldig duur. Een beeldje, zo groot als een hand kost zo’n fl. 100,= en dat vind ik toch te duur. Als ik deskundige hulp heb, zal ik wel in Port Said uitkijken naar een Perzisch kleedje. Je moet hier echter oppassen, want anders wordt je bij de neus genomen door die kooplui. Enfin, ik zal wel eens zien. Misschien kan ik in Indië nog iets op de kop tikken.

 ________________________________________________________________________

09 maart 1954
Sydney

Vanochtend heb ik op kantoor je brief van 24 februari ontvangen en ik was er zeer blij mee. Ik vind het fijn dat het weer is omgeslagen (heb je nog altijd koude voeten in bed?) en dat de kinderen nu en dan weer buiten kunnen spelen. Gisteren hebben wij allerhande papieren voor de terugreis in orde moeten maken en ik heb een bezoek gebracht aan de familie Linders (uit Nijmegen) waar Kees de laatste dagen slaapt. Het is een zeer hartelijk gezin, eenvoudig en degelijk en ze blijven je maar vasthouden.havenSydney Om er te komen, moet ik vanaf mijn hotel, 2x de tram nemen, daarna ruim een half uur met een grote boot door de haven en dan weer de bus. Zo’n tocht door de haven is prachtig. Allerhande schepen zie je er en tegen de steile oevers liggen dan de duizenden huizen. Ook is hier een fantastisch grote en hoge brug, die vooral ’s avonds indrukwekkend is door haar vele lichtjes. De boot waarmee ik de tocht maak, vervoert dagelijks ruim 70.000 mensen.
Over het verkeer in Sydney gesproken; dat is soms angstaanjagend, vooral in de spitsuren. Het is dan verschrikkelijk druk en je vraagt je af, hoe zo’n mensenstroom verwerkt wordt. De stad zelf heeft ruim 2 miljoen mensen en er zijn wolkenkrabbers bij de vleet. Het kantoor van G. van Rijn, bevindt zich bijvoorbeeld op de 11e verdieping van een geweldig groot gebouw. Vandaag hebben we, in gezelschap van mevrouw Linders (we moeten Nel tegen haar zeggen), geprobeerd wat te winkelen. In vergelijking met Nederland zijn de prijzen hier hoger, maar de lonen liggen hier ook veel hoger. Vanavond zijn we met zijn allen naar een vriend van de familie Linders gegaan. Een Australiër van ongeveer zestig jaar. Bij de geboorte van zijn eerste kind, was zijn vrouw en het kind gestorven en sindsdien zit hij alleen. Het was een echt levendig baasje, die reusachtig veel met Nederlandse emigranten ophad. Er is een glaasje wijn gedronken en ook had hij een oude koffergrammofoon (ik dacht direct aan Toon Hermans) met slinger en al. Maar zijn grammofoonplaten waren prima, allemaal klassieke muziek.
Vanochtend ben ik mijn bruine kostuum gaan halen in een wasserij. Dit zag er uit of ik in de mijn gewerkt had (van al het stof op de wegen). Ook mijn zomerpak heb ik eens laten uitstomen en persen. Dit duurt hier maar één dag. In praktisch iedere straat, vindt je een paar van die kleine wasserijen en ze hebben het allemaal even druk. De prijs bedraagt zo’n vijf gulden. Ik ben toen naar kantoor gegaan en heb hier nog enige zaken afgehandeld. Ook werden we voorgesteld aan de Nederlandse Consul Generaal, die zeer veel belang stelde in onze reiservaringen. G. Van Rijn bood ons een lunch aan in de “Dutch Tulip”. Dit was een prachtig, onder de grond liggend, restaurant dat van een Nederlander was. Ik heb nog nooit zo goed gegeten in Australië als juist vanmiddag. Toch zal ik blij zijn, als ik weer bij jou, de goede Hollandse pot kan krijgen, want aan het echte Australische eten, kunnen wij nog steeds niet wennen.

Ik heb gisteren ook een brief gekregen van die vriend van Veus. Deze zit echter 500 mijl van Sydney af, zodat ik jammer genoeg geen contact met hem kon krijgen.
Vanmiddag heb ik eindelijk gehoord, wanneer we vertrekken. Dit zal dan zijn, vrijdag 12 maart a.s. om 12.00u v.m. De Sibajak heeft namelijk enige vertraging gehad, omdat bij aankomst in Melbourne, hier weer juist een kleine staking was uitgebroken en dan werkt er niemand in de haven. Ik hoop vurig, dat ik toch nog met de Pasen thuis kan zijn en dat we dan samen het Paasfeest kunnen vieren. Zoals ik je al schreef gaat het schip eerst naar Indonesië, waar het passagiers gaat ophalen. Op de reis tot Indonesië (10 dagen varen), zijn er geen passagiers aan boord, behalve Pater v.d Elzen, Dominee Mol en zijn vrouw, Kees en ik. Wij hopen dan rustig aan ons rapport te kunnen werken. Ik ben zeer gelukkig dat ik deze reis heb mogen maken (ofschoon ik nu en dan – ondanks al het goede hier – wel eens heimwee heb gehad, vooral als ik bij gezinnen was met kleine kinderen).
Ik lees ook nog in je brief, dat Net al in de tuin bezig is. Dat vind ik natuurlijk prima. Bewaren jullie de heg voor mij? Of is deze ook al geschoren, als ik thuis kom. Dat zou ik echt jammer vinden. Enfin, jullie zien maar eens.

 ________________________________________________________________________

16 maart 1954
Aan boord van M.S.”Sibajak”

Vanaf vrijdagmiddag, 12 maart, zit ik alweer de heerlijke zeelucht op te snuiven en zo zie je dan, dat langzaam, maar zeker, het einde van mijn lange reis nadert. Vroeger dan ik verwachtte, is het mogelijk reeds dit briefje te posten doordat vanavond de Australische loods het schip verlaat.
Vrijdagochtend om tien uur zijn wij aan boord gegaan van de Sibajak en om half twee zijn we toen vertrokken. Ofschoon we heel veel gezien, geleerd en genoten hebben in Australië, waren wij toch echt blij, dat we de terugreis konden aanvangen, zij het op een praktisch geheel leeg schip. Er zijn maar 6 passagiers aan boord, namelijk Pater v.d. Elzen, Dominee Warnink, Dominee Mol en zijn vrouw, Kees en ik. Dit gezelschap is natuurlijk volkomen op elkaar aangewezen en we verstaan ons uitstekend. Ook in de eetzaal zijn we altijd bij elkaar aan één tafel. De kost is weer uitstekend en is zelfs een tikkeltje beter dan op de Johan van Oldenbarnevelt. Het grootste gedeelte der bedienden, zijn Javanen, van die donkerbruine kereltjes, waarvan je nooit kunt zeggen, hoe oud ze nu eigenlijk zijn. Je komt ze overal tegen en op de meest onverwachte ogenblikken. Ook zie je ze overal gehurkt zitten op de hoeken en in de gangen en als je niet oplet, struikel je over hun benen. Een echt typisch volkje !
Met onze hut hebben we het buitengewoon goed getroffen. Het is een heldere, ruime kamer, waarin drie bedden staan. (Kees en ik, hebben er dus altijd eentje reserve). Ook zijn er twee patrijspoorten, waardoor wij, van op ons bed, recht de zee in kunnen kijken. Om de hitte te verdrijven, hebben we twee ventilatoren, die wij de hele nacht hebben aanstaan.

Zo, nu weet je dus, Mama, hoe ik hier ben ingericht. Wat de reis zelf betreft: deze is tot nu toe zeer rustig verlopen en veel nieuws kan ik je hierover dan ook niet vertellen. Veel afwisseling en afleiding is er niet. Alleen wordt het iedere dag warmer. Vandaag bijvoorbeeld is het broeierig heet. Alles plakt je aan het lijf. Om ziek te worden, hoeven we niet bang te zijn, want we hebben hier 3 dokters aan boord.
Gisteravond is er een groot bridge-toernooi begonnen; hieraan nemen deel de officieren van het schip en wijzelf. Dominee Warnink en ik, vormen samen een koppel en we hebben ze reeds vies om de oren gekregen. Slechts één partij hebben wij met flinke cijfers gewonnen; de overige vier partijen hebben we kansloos verloren. En de dominee (hij kent er niet veel van) maar stilletjes lachen. Vanavond en morgen wordt het spul weer voortgezet.

Vanmiddag hebben wij reeds 2800 km afgelegd en vanavond zullen wij het noordelijkste punt van Australië bereiken en varen dan richting Indonesië. De zee is tot nu toe, zeer rustig en er liggen honderden eilandjes op onze route. Hierbij zijn ook de beroemde koraaleilanden. Deze zijn opgebouwd uit koraal-diertjes, die afsterven en dan verstenen. Zulke eilandjes groeien dan ook nog steeds. Nu en dan zien we de kust van Australië en verder is er niets dan water en nog eens water.
En nu nog gauw wat anders. Afgelopen zondag heeft Pater v.d. Elzen de H.Mis opgedragen en ik heb als misdienaar gefungeerd. Ik heb dat echt fijn gevonden, dat kan ik je verzekeren.

 ________________________________________________________________________

21 maart 1954
Aan boord van M.S.”Sibajak”

Het is vandaag weer een zeer warme dag. Wij varen nu langs het eiland Madoera. De zee is weer spiegelglad; je kunt je niet voorstellen, hoe fantastisch mooi dit is. Het lijkt nu en dan een ijsbaan, waarop de zon allerlei kleurschakeringen tovert. Geregeld zie je hele troepen vissen aan de oppervlakte dartelen. Ook zien we honderden kleine vissersscheepjes, wit geverfd en de meeste met witte zeilen. De bootjes zijn zo smal, dat je er nauwelijks in kunt zitten. Het is een onvergetelijk gezicht.
Vanmiddag zullen wij in Soerabaja aankomen. Het schip blijft hier drie dagen liggen. We hebben dus gelegenheid genoeg, om een stukje van Indonesië te zien en om uit te kijken voor een goed souveniertje. We hebben ons wel laten vertellen, dat in Indonesië alles verschrikkelijk duur is. Maar hier hebben wij al iets op gevonden. Ik heb namelijk aan boord wat sigaretten gekocht en die verkopen wij aan de Javanen ongeveer voor de dubbele prijs en tegelijkertijd heb ik dan Indonesisch geld. Hier aan boord heb ik in de hutten der bemanningsleden, prachtige sarongs gezien, die als wanddoek gebruikt worden. Ook zou er hier in Indonesië, mooi houtsnijwerk te koop zijn. Ik zal maar eens afwachten, wat uiteindelijk de prijs is, maar ik hoop toch het een of ander mee te kunnen brengen.
En nu moet ik me weer even het zweet afdrogen, want alles plakt aan mij. Tot nu toe, heb ik aan boord slechts één keer mijn jas aangehad. Zelfs de H.Mis dien ik met opgestroopte hemdsmouwen en met mijn boord los. Dus dan weet je het wel !
Ik moet je nog een kleine teleurstelling bezorgen. Het is namelijk zo, dat wij pas in Rotterdam aankomen op 20 of 21 april, zodat ik jammer genoeg niet de Paasdagen bij jou en de kinderen kan doorbrengen. Ik zelf vind dit ook heel erg, maar daar is nu eenmaal niets aan te doen. Gelukkig gaat het nu vrij vlug op het einde aan. We hebben thans, na 9 dagen varen, reeds ruim 6500 km afgelegd.

crashbrief

Ik weet niet of je mijn brief van 9 maart wel ontvangen hebt. Toen we namelijk 1 dag aan boord waren, hoorden we dat er een vliegtuig verongelukt was, dat waarschijnlijk ook onze post aan boord had. Het zou echt jammer zijn, als je mijn brief niet ontvangen had. Ook had ik op dezelfde dagen, een stuk of vier briefkaarten gepost voor verschillende bekenden. Laat je mij eens weten of je wat gekregen hebt? En heeft Paultje ook zijn kaart ontvangen? Ik hoop vurig dat ik in Soerabaja een brief van je mag krijgen, want daar verlang ik erg naar.

Voor de rest gaat het leven hier aan boord, zijn gewone, rustige gang en veel nieuws hierover valt dan ook niet te vertellen. Het bridge-tournooi is geëindigd en de dominee en ik bezetten de 9e plaats. Natuurlijk vielen wij niet in de prijzen, maar ik heb er toch veel plezier mee beleefd, vooral door de droge humor van de dominee, die op een heerlijke wijze en op een warme toon de spot met alles kan drijven. Ofschoon Pater v.d. Elzen en dominee Mol ook niet in de prijzen vielen, werden ze toch op het podium geroepen. Ze kregen namelijk een prijs voor het strijdlustigste koppel, namelijk ieder een fles volle zure melk, die zij in het bijzijn van alle spelers moesten opdrinken. Geloof maar, dat er toen gelachen is. De Pater trok de volgende dag nog een vies gezicht.
Bij de bemanning, zitten verschillende Limburgers. Zo komt o.a. de kapper uit Sittard. Hij heet Schurgers en woonde in de buurt van Veus, die hij kende. De bakker heeft 12 jaar (tot 1943) op de Voogdij gewerkt en weet Keer dus heel goed te liggen. Je ziet dus, Mama, dat de wereld toch nog erg klein is. Morgen ga ik deze brief in Soerabaja posten en de volgende post ik dan hoogst waarschijnlijk in Batavia.

 ________________________________________________________________________

26 maart 1954
Langs de kust van Java

Ik zit nu 14 dagen op zee en heb nog steeds geen brief van je gehad. Ik geloof wel, dat je zult begrijpen, dat dit nogal een teleurstelling voor me is. Heb je misschien de lijst van aanloop-havens nog niet te pakken kunnen krijgen? Als je deze brief ontvangt, die ik in Tandjong Priok (bij Djakarta) hoop te kunnen posten, zijn we reeds op weg naar Aden. Ook Port Said doen we weer aan. Ik hoop nu maar vurig, dat ik in deze twee plaatsen veel post van je mag ontvangen.
Ik las vandaag in de scheepskrant, dat het weer in Holland weer stukken beter is. Wordt er al “gegraven” in de tuin, of komen de aardappelen al uit? Hoe is het met Net? Heeft ze de betrekking bij het Groene Kruis gekregen? Is Gym al aan het boeren? En het huis voor Bèr. Je ziet wel, dat ik overal zeer nieuwsgierig naar ben. Van Sef heb ik tot nu toe 1 brief ontvangen. Daar ik nu niet met Pasen thuis ben, is het me ook niet mogelijk op tijd zijn zwembroek terug te geven. Van zijn zonnebril is één glas stuk (dit glas was al gebarsten, toen ik hem kreeg). Je kunt hem dit mededelen en dan wil ik hem eens horen ketteren en sakkeren. Wens hem in elk geval een mooie en goede Rome-reis van mij toe. Heb je ook de foto ontvangen, die ik je een tijdje geleden in een brief heb gezonden? Enfin, ik hoop in je volgende brieven weer veel van je te kunnen vernemen.

En nu nog wat nieuws van de afgelopen dagen. Zondagmiddag, 21 maart, om 4 uur, bereikten wij Soerabaja. Hier zijn we tot donderdag, 25 maart, in de haven blijven liggen. Deze vier dagen zijn de warmste geweest van mijn hele leven. Het was er werkelijk gruwelijk heet. De eerste teleurstelling, die we te verwerken kregen, was reeds direct bij aankomst. Er verscheen namelijk een bekendmaking, dat het ten strengste verboden was, souvenirs enz. te kopen en op het schip te brengen. Overtredingen zouden zeer streng worden gestraft door de Indonesische autoriteiten. We hebben toen maar direct eens flink gekankerd en zijn ’s avonds, na het diner, aan wal gegaan, nl. Pater v.d. Elzen, dominee Warnink, Kees en ik. We hadden ieder een blikje sigaretten van 50 stuks bij ons, omdat dit was toegestaan. Bij de eerste douanepost, werden wij streng gevisiteerd, daarna volgde een tweede onderzoek en daarna – wat verder – een derde. En maar stilletjes sakkeren ! We hebben toen in het havengebied (de stad Soerabaja ligt 7 km uit de kust), onze sigaretten verkocht voor 13 Indische guldens per blikje. De volgende dagen, was de koers reeds opgelopen tot 17,5.

petjak

Achter de derde controle-post van de militaire politie, stonden tientallen petjaks. Dit zijn een bepaald soort driewielers, van voren heb je een bankje voor twee personen, terwijl daarachter de “taxi”-chauffeur zit. En hun petjak maar aanprijzen en ons bijna van de sokken rijden ! Een sensatie vanjewelste.
De volgende dag weer hetzelfde liedje. Weer met een blikje sigaretten naar de douane en een extra pakje voor de douane. Toen liep alles gesmeerd. Wat een corrupte bende ! Op het laatst, kwam ons bijvoorbeeld de militaire politie al tegemoet en schooiden om sigaretten. Toen mochten wij ook souveniertjes meebrengen. Het heeft twee dagen geduurd, eer we wat geld bij elkaar hadden ( 1 blikje door de controle-post brengen, verkopen, terug naar het schip om nieuw blikje op te halen enz., enz. en maar zweten). Toen zijn we een paar keer – per tram, taxi en petjak – naar Soerabaja gegaan en hebben het een en ander gekocht. Ik heb bijvoorbeeld een uit hout gesneden vrouwenbeeldje, met een korf op haar hoofd, gekocht voor 50 Ind. Guldens (in sigaretten omgerekend, was dit voor ongeveer fl. 6,=). Ook heb ik nog een sarong op de kop getikt en een paar andere kleinigheidjes. Ik hoop dat je er blij mee zult zijn. Van de Indonesische douane hebben we totaal geen last meer gehad, we gingen en kwamen, wanneer we zelf wilden. Soerabaja leek me tamelijk vies en vuil en is me heus niet meegevallen.
In Soerabaja, zijn 350 Indië-gangers aan boord gekomen, in Djakarta komen er morgen nog 400 bij. En dan gaat het in volle vaart op huis aan. Bij de passagiers, zie je van alles; blanken, halfbloeden, Javanen en Chinezen. Als ik dan hier de kleine kinderen zie spelen op de boot, mis je soms geweldig je eigen gezin.

________________________________________________________________________

05 april 1954
Indische Oceaan

Als je deze, mijn voorlaatste brief ontvangt, zit ik reeds in de buurt van Port Said en is eindelijk het grootste gedeelte van mijn reis achter de rug. Ik zal zeker heel gelukkig zijn, als ik 21 april (zeker niet vroeger) weer thuis zal zijn en mijn (of moet ik zeggen “onze”) luie stoel weer mag gebruiken. In gedachten tracht ik mij voor te stellen, hoe thuis er alles uitziet, maar vooral hoe jij en de kinderen het maken. Het is toch wel een lange tijd, hé Mama, bijna 4 maanden van elkaar volkomen gescheiden te zijn.
Ik hoor zo net van een pas opgeduikelde kennis, dat hij een schrijfmachine heeft en hij is gaarne bereid deze even aan mij af te staan, zodat mijn geschrift nu wel wat duidelijker voor je zal zijn. In Aden, waar ik deze brief kan posten, hoop ik zeker een brief van jou te ontvangen. In Tandjong Priok, de haven van Djakarta, ontving ik wel een brief van Wim Derks, waarin hij schreef, dat hij jou de volgende dag nog een bezoek zou brengen. Ook deelde hij mede, dat ik bij mijn terugkeer, maar een week thuis moest blijven, vooral om jou wat te verwennen, hetgeen ik zeker zal doen, reken maar !

Aan afwisseling en sensatie op de boot is geen gebrek. Toen wij bijvoorbeeld uit Soerabaja vertrokken, bleek op volle zee, dat er nog een bezoeker aan boord was. Deze was afscheid komen nemen van een familielid, had daarna wat geborreld, moest toen naar het toilet en viel daar prompt in slaap. De dag daarna werd hij in Semarang netjes van boord gezet. Vlak voor aankomst in Tandjong Priok echter, was het nog erger. Er werden toen namelijk 7 verstekelingen ontdekt, die in Tandjong Priok onder zware politiebewaking werden meegenomen. Het waren allemaal jongens uit een weeshuis in Soerabaja, die op die manier probeerden naar Holland te kunnen komen. Door dit incident, waren de Indonesiërs zo streng geworden, dat wij hier jammer genoeg niet meer van boord mochten. En wij maar sakkeren; want wij hadden inmiddels van passagiers geleerd, hoe je iets moet kopen in dit land. Zodoende hebben wij nog praktisch niets van dit prachtige land gezien, dat eens aan Nederland behoorde. Ik heb over Indonesië met een oude matroos staan praten en hij sprak er over met een brok in zijn keel.

Een dezer dagen hebben wij weer wat meegemaakt en hierdoor gezien, hoe ver de techniek is gevorderd. Een ander Nederlands schip, 1000 km van ons verwijderd, seinde per radio, dat het een gewonde aan boord had, die dringend doktershulp nodig had. Deze man was met zijn hand tussen een machine beklemd geraakt en had hierdoor twee vingers verloren. Er was geen dokter aan boord en daarom werd assistentie ingeroepen van ons schip. De dag daarna ontmoetten de schepen elkaar op de eindeloosheid van de Indische Oceaan. Een knap staaltje van zeemanskunde. We hebben toen de gewonde bij ons aan boord genomen en deze ligt thans in ons hospitaaltje en knapt al aardig op.

De dokters hier hebben het nu en dan aardig druk. Eergisteren brak een kindje een arm en vandaag gleed bij het zwembad een meisje van 12 jaar uit en brak ook een arm. Mij kan dat gelukkig niet overkomen, want ik kan niet zwemmen. Wat de geestelijke verzorging betreft, deze kan niet beter zijn. Er zijn namelijk drie priesters aan boord, namelijk Pater van de Elzen en twee Limburgse missionarissen, die uit de missie op Borneo nu met verlof gaan. De ene heet Pater van der Boorn uit Maastricht, die een klasgenoot is van Jan Sluijsmans uit Eckelrade en de ander is Pater van Eunen uit Vaals. Ze zijn 8 jaar in Borneo geweest en gaan nu voor een jaar naar Holland. Het zijn echte fijne priesters met veel levensblijheid, ondanks hun zeer hard bestaan in de missie, waarover ze zeer interessant kunnen vertellen.

Het weer is prima, wel soms een beetje te warm, maar nu en dan komt er dan plotseling een geweldige regenbui en koelt het even een beetje af. Over het eten schreef ik je al. Nu alle passagiers aan boord zijn, is dit nog beter geworden. ’s Avonds is er film, gezelschapsspelen, schaken, dammen, bridgen, muziek van het scheepstrio of we praten wat gezellig met elkaar. Gewoonlijk komen de twee Limburgse Paters ons dan opzoeken (deze reizen namelijk een lagere klas dan wijzelf) of wij gaan bij hun op bezoek. Aan een gezelschapsspel heb ik 1 keer mee gedaan. Dit is misschien nog iets voor Asje en Hansje. Het heet “Jacob waar ben je?”. Je wordt dan geblinddoekt en krijgt een tegenstander (in mijn geval was dat natuurlijk Kees), die ook geblinddoekt is. Dan krijg je een soort langwerpige, gevulde kussensteek en wordt een eindje van elkaar geplaatst. De winnaar is hij die de ander 2 keer met dat ding een mep verkoopt. En dan moet je het publiek horen aanmoedigen ! Er worden allerhande trucs uitgehaald en als je het ziet, kun je je buik vasthouden, dat verzeker ik je. Ikzelf was al gauw van de kaart, want Kees was op zijn hurken gaan zitten, waardoor ik over hem heen maaide en ineens tegen zijn benen liep.
Morgen komen wij in Aden aan en dan nog 15 dagen en ik ben weer thuis. Ik moet thans deze brief gaan posten en ik verheug me nu al , als ik morgen een heel dikke brief van jou krijg.

________________________________________________________________________

10 april 1954
Rode Zee / Suez-kanaal

Wat ben ik toch blij geweest met je twee brieven. Die ik in Aden van je mocht ontvangen en nog blijer en gelukkiger te horen, dat met jou en de kinderen nog alles goed gaat. Ik ben weer vol goede moed en in ongeduldige afwachting op de aankomst in Rotterdam op 21 april.
En wat al dat nieuws van jou betreft, liefste Mama, één ding heeft me zeer diep getroffen, namelijk de dood van Noonk Wullum. Wat heeft me dat veel pijn gedaan. Nu pas realiseer ik me, hoeveel iemand in je leven kan betekenen, ook al kom je er niet zo heel veel mee in aanraking. De Rome-reis van Sef zal nu denkelijk ook niet doorgaan. Wat is dit jammer voor hem. Tussen twee haakjes, ik heb geen brief van hem ontvangen in Aden; ik hoop, dat hij niet zo diep in de put zit, dat hij het helemaal vergeten heeft.
Verder lees ik in je brief, dat Bakkerbosch is afgebrand. Hadden jullie hier niets van gemerkt? Ik lees juist in de scheepskrant, dat er weer een paar dagen nachtvorst is geweest in Nederland. Zijn de erwten niet bevroren? En wat heeft het Nederlands elftal het weer vies laten liggen in België. We hebben gedeeltelijk de voetbaluitzending via de radio gehoord, midden op de Indische Oceaan. Op zulke momenten, merk je pas eens goed, hoe ver de techniek is gevorderd.

De reis verloopt buitengewoon rustig. Wat is er toch een eindeloze variatie op zee. Nu en dan lijkt ze op een geoliede ijsvlakte en dan moet je de vliegende vissen eens zien. Ze scheren dan soms 50 à 100 meter over het water en zijn dan plots verdwenen. Ook hebben we veel bruinvissen gezien. Ze springen plots een meter boven het water en maken dan een salto mortale. Het is koddig om te zien en altijd zijn er een stuk of vijf bij elkaar. Enkele haaien en een soort kleine walvis hebben zich nu en dan ook aan de oppervlakte vertoond. Deze laatste spuit dan een straaltje water de lucht in, net een klein fonteintje. In de Rode Zee, die berucht is om haar verschrikkelijke warmte, heerst thans een heerlijk klimaat. Ook zijn er de laatste dagen vrij veel schepen te zien, sommige op korte, andere op verdere afstand van ons schip vandaan. Dit geeft natuurlijk ook weer afwisseling. Het liefst, zit ik op mijn eentje aan de reling, met een boek of zo maar wat te denken en te dromen. Maar ze laten je niet met rust. Dan moet er gebridged worden, dan weer geschaakt; maar de meeste keren, komen de Paters mij toch opzoeken, om wat gezellig te bomen en als het kan een glaasje bier of borrel te drinken.

Evenals op de heenreis, zijn we ook in Aden van boord mogen gaan. Thans hebben wij echter niet alleen de haven bezocht, maar ook de stad zelf. Heel veel bijzonders is het echter niet, maar uit historisch oogpunt gezien, is het toch wel interessant. De stad zelf ligt omsloten door kale bergen, de zogenaamde krater. In de bergen ziet men hier en daar nog zeer oude verdedigingswerken. Volgens de overlevering, zou zich hier ook het graf van Caïn bevinden. Uit de bijbelse tijd, dateren ook de zogenaamde watertanks, enorme in de rotsen uitgehouwen bassins om het zeldzame regenwater op te vangen. Zo ongeveer eens in de vier jaar regent het hier, alleen in 1892 heeft het er twee keer geregend. Waarschijnlijk zullen wij morgen, bij helder weer, ook de berg Sinaï kunnen zien (je weet nog wel van Mozes met de stenen tafelen). Het is jammer, dat we er niet persoonlijk eens naar toe kunnen gaan, evenals naar de piramiden in Egypte. Maar ja, alles kunnen wij nu ook niet hebben; ik vind, dat het nu al mooi geweest is.
Vanmiddag begint de tocht door het Suez-kanaal en bereiken dan morgenvroeg Port Said. Een heel prettige verrassing was het voor mij, dat ik vanmiddag reeds je brief, die aan Port Said geadresseerd was, in Suez mocht ontvangen. Alles wat je me schrijft, neem ik dankbaar in mij op. Soms denk ik wel eens, dat ik een oude sentimentele bok begin te worden; maar ik geloof toch, dat dit niet helemaal waar is.
Als je deze brief ontvangt, zit ik al ver in de Middellandse Zee en is praktisch het einde in zicht. Hoe laat we op 21 april precies in Rotterdam zullen arriveren, weet ik werkelijk niet. Normaal is het zo, dat het schip in de morgenuren aankomt. De ontscheping duurt altijd enkele uren, zodat ik waarschijnlijk tussen 17.00 en 23.00 u, in Keer zal arriveren. En hou je dan maar gereed!

________________________________________________________________________

eindpositie